Short Story: A Christmas Tree by Charles Dickens

book review a christmas tree charles dickensA Christmas Carol, oftewel Scrooge is het meest bekende Kerstverhaal dat Charles Dickens heeft geschreven en misschien wel het meest bekende Kerstverhaal dat in verschillende uitvoeringen is verfilmd. Maar hij heeft meer Kerstverhalen geschreven, waaronder A Christmas Tree. In tegen stelling tot A Christmas Carol waarin de gierige vrek Scrooge een lesje wordt geleerd in vrijgevigheid en de Kerstgedachte, brengt A Christmas Tree je gelijk in de Kerststemming van het Victoriaanse tijdperk, mits je toen een van de gelukkige rijke mensen was. Charles Dickens kan als geen ander in rijke bewoordingen een beeld tot leven brengen en met A Christmas Tree waan je je in een rijkelijke, weelderige en wonderlijke Kerststemming zoals alleen Dickens dat kan bewerkstelligen.

Het verhaal

Het is Kerst of bijna Kerst en de vertellende hoofdpersoon denkt bij het zien van de gelukkige en verwachtingsvolle kinderen met een zekere weemoed terug aan zijn eigen kindertijd. Wanneer hij naar de Kerstboom kijkt, ziet hij in gedachten de kerstboom uit zijn jeugd met al zijn weelderige en speelse versieringen, van eetbaar fruit tot poppen en ornamenten en speelgoed en hij ziet het speelgoed en de versieringen onder de Kerstboom en in de kamer die uitgestald staan. Hij denkt terug aan hoe al die poppen en het speelgoed, het hobbelpaard tot leven kwam en aan het enge masker dat doods naar hem staarde en hij vraagt zich af waarom hij dat wel eng vond en het gezicht van de pop niet. Hij denkt aan hoe hij ’s nacht niet kon slapen omdat het huis vol versieringen tot leven kwam, door alle sprookjes die hem werden verteld. En hij weet nog precies hoe het voelde om van school met Kerst terug te keren naar huis. Van het fantasievolle kind groeide hij op en veranderde het speelse avontuurlijke en wonderlijke van Kerst in het vertellen van spookverhalen bij het haardvuur. En hij weet nog dat hij ooit een geest van een meisje heeft gezien, zoals bijna iedereen wel een verhaal heeft van een spookverschijning in de grote landhuizen, die dwalen door de gangen, door kamers, het horen zuchten en kermen van de geesten, het ratelen van kettingen en het steeds open gaan van deuren, of deuren die niet open wilden gaan. Ook binnen zijn familie waart er een heus spook rond, van een weesjongetje. Terwijl hij nu de hele Kerstboom met al zijn pracht en praal in zich op heeft genomen en kijkt naar de onderste donkere takken ziet hoort hij een fluisterstem die zegt: ‘in gedachtenis aan liefde, vriendelijkheid, vergeving en compassie, in gedachtenis aan mij.’

Ultieme Kerststemming

In dit korte verhaal van 22 bladzijden verwoordt Dickens op een prachtige wijze in een snel ritmisch tempo niet alleen de pracht en praal, de weelderigheid van de Kerstboom. Maar ook de hele magische en wonderlijke sfeer die rond Kerst hangt en verbeeld wordt in de Kerstboom met al zijn versieringen. Waar een kind denkt aan al het speelgoed en ornamenten die tot leven komen, en zijn wonderlijke fantasie gebruikt, en hem allerlei sprookjes en verhalen worden verteld, vertellen de volwassenen elkaar spookverhalen. De manier waarop Dickens dit beschrijft brengt je gelijk in de magische Kerststemming, de sfeer die niet te vergelijken is met de rest van het jaar, waarin magie tot leven komt. En aan het einde spreekt hij de Kerstgedachte uit waar het met Kerst uiteindelijk om zou moeten gaan.

“Straight, in the middle of the room, cramped in the freedom of its growth by no encircling walls or soon reached ceiling, a shadowy tree arises; and, looking up into the dreamy brightness of its top – for I observe in this tree the singular property that it appears to grow downward towards the earth – I look into my youngest Christmas recollections!”

“I never wondered what the dear old donkey with the panniers – there he is! – was  made of then!”

“Ah! The Doll’s house! – of which I was not proprietor, but where I visited.”

“Good for Christmas time is the ruddy colour of the cloak, in which – the tree making a forest of itself for her trip through, with her basket – Little Red Riding-Hood comes to me one Christmas Eve to give me information of the cruelty and treachery of that dissembling wolf who ate her grandmother, without making any impression on his appetite, and then ate her, after making that ferocious joke about his teeth.”

“There is  no end to the old house, with resounding galleries, and dismal state-bed-chambers, and haunted wings shut up for many years, through which we may ramble, with an agreeable creeping up our back, and encounter any number of ghosts, but (it is worthy of remark perhaps) reducible to a very few general types and classes; for ghosts have little originality, and “walk” in beaten track.”

Dit verhaal is een grote monoloog en bestaat voornamelijk uit opsommingen van mijmeringen van de hoofdpersoon die gaan van zijn kindertijd, naar pubertijd en uiteindelijk tot zijn volwassenheid en hoe hij de Kerst telkens heeft beleefd. Hij begint met zijn vertelling vanaf de top en de hoogte takken en zo gaat hij steeds verder naar beneden, naar de grotere volgroeide takken, zoals ook hij steeds groter en ouder is gegroeid. Die vergelijking geeft een mooie richting en kleine symboliek aan het verhaal. Het heeft verder geen echt verhaal, geen plot, maar creëert vooral een sfeer, waarbij hij het zo vertelt dat je alles voor je ziet en ruikt en voelt. Dit is een heerlijk sfeervolle vertelling die je gelijk helemaal in de Kerstsferen brengt.

Uit: A Christmas Carol and other Christmas Stories, Charles Dickens (1984) Signet Classics